'Kom jij maar eens mee'

Als Thom bij het huis van zijn ouders arriveert, klopt zijn hart onregelmatig. Dat zijn geen zenuwen, vertelt hij zichzelf. Gewoon een afkickverschijnsel van de cocaïne. De zon is gelukkig al onder; de buren – en zijn ouders – zullen hem niet zien terwijl hij om het huis sluipt.

Hij komt bij het raampje van de wc. Zijn hart klopt nog onregelmatiger. Het raam is dichtgetimmerd met planken. Thom mompelt een scheldwoord, omdat hij wel weet dat ze het hebben gedaan om hem buiten te houden. Hij is zo smal dat hij door het raam naar binnen kan.

Ook goed. Thom stampt naar de voordeur en drukt lang en doordringend op de bel. Er wordt niet opengedaan. Hij bonkt op de deur, harder en harder. En dan houdt hij stil, want achter de deur hoort hij iemand roepen: “Ga weg. Ga weg, Thom. We kunnen je niet helpen.” Zijn moeder. Ze klinkt streng, maar hij hoort dat ze ook bijna huilt. Hij bonkt weer. “Laat me erin, ma!”

De deur kiert open. Het is niet zijn moeder maar zijn zus. Karin is nog maar zestien. Ze ziet er vandaag veel ouder uit, met donkere lijnen onder haar lieve bruine ogen. “Je mag niet naar binnen, Thom,” zegt ze. “Ik heb de politie gebeld. Hoor je me? Ik heb ze gebeld. Echt waar.”

“Geloof ik niet. Laat me erin.” Thom probeert langs zijn zus te komen, maar ze maakt zich breed, duwt hem terug. Hij smeekt: “Pa en ma moeten me helpen. Er zitten mensen achter me aan. Ik heb schulden. Die kerels breken mijn benen als ik niet betaal.”

“Dat zeg je altijd.” Hij wist niet dat Karin naar hem kon kijken met zoveel minachting. Zijn kleine zus, die hij vroeger meenam naar de vijver om kikkervisjes te vangen, zijn zus die trots op hem was. Maar hij heeft geen tijd om pijn te voelen. Hij moet naar binnen. Zijn ouders hebben nog wel iets dat hij kan jatten en verpatsen. Hij heeft cocaïne nodig. Anders wordt hij gek.

Dan wordt er een hand op hem gelegd. “Kom jij maar eens mee.” Politie. Ongelooflijk – Karin heeft echt de politie gebeld. Hij ziet nog net hoe schuldig ze kijkt voordat hij wordt meegenomen.

Wat later zit hij in de cel. Dat is niet erg. Hij heeft zo vaak in een cel gezeten. Het is alleen erg dat hij afkickverschijnselen heeft. Hij zweet, hij trilt en hij voelt zich vreselijk moe. Er komt een politieagent binnen, die een blikje cola aan hem geeft. Het is Karel de Bruin, die hij al kent sinds hij op z’n zestiende voor het eerst werd opgepakt.

De Bruin komt naast hem zitten. “Wordt het niet eens tijd dat jij wat gaat doen met je leven?” vraagt hij, vriendelijker dan Thom had verwacht. “Zo gaat het toch niet? Je maakt jezelf kapot. Ik weet een plek waar je naartoe kunt. Dan kun je afkicken, opnieuw beginnen.”

De Bruin klinkt zo vriendelijk. Even slikt Thom. Hij wil veranderen. Echt. Maar de cocaïne is belangrijk – de cocaïne is de enige vriend die hij nog heeft. Even dwalen Thoms gedachten af: bij wie zou hij geld los kunnen krijgen voor zijn volgende shot? Of zou hij toch echt anders kunnen gaan leven?

Op de hoogte blijven? Meld je aan voor de nieuwsbrief of het magazine